ARIE VALKHOF KETELBINKIE LYRICS

Tekst en muziek: Johan Bouman

Toen wij uit Rotterdam vertrokken, met de Edam, een oude schuit
Met kakkerlakken in de midscheeps, en rattenesten in 't vooruit
Toe hadden wij een kleine jongen als ketelbink bij ons aan boord
Die voor de eerste keer naar zee ging, en nooit van haaien had gehoord
Die van zijn moeder aan de kade wat schuchter lachend afscheid nam
Omdat 'ie haar niet dorst te zoenen, die straatjongen uit Rotterdam

Hij werd gescholden door de stokers omdat 'ie van de eerste dag
Toen we maar net de pier uit waren, al zeeziek in het foksel lag
En met jenever en citroenen werd hij weer op de been gebracht
Want zieke zeelui zijn nadelig en brengen schade aan de vracht
Als 'ie dan sjouwend met zijn ketels van de kombuis naar voren kwam
Dan was het net zo'n brokkie wanhoop, die straatjongen uit Rotterdam

Wanneer 'ie 's avonds op zijn kooi lag, en na zijn sjouwen eindelijk sliep
Dan schold de man die wacht te kooi had omdat 'ie om zijn moeder riep
Toen is ie op een mooie morgen, 't was in de Stille Oceaan
Terwijl ze brulden om hun koffie niet van zijn kooi goed opgestaan
En toen de stuurman met kinine en wonderolie bij hem kwam
Vroeg 'ie een voorschot op zijn gage voor 't ouwe mens in Rotterdam

In zeildoek en met roosterwaren werd hij die dag op 't luik gezet
De kapitein lichtte zijn petje en sprak met grogstem een gebed
En met een één, twee, drie in godsnaam ging het ketelbinkie overboord
Die het ouwetje niet dorst te zoenen omdat dat niet bij zeelui hoort
De man een extra mokkie schoot-an en 't ouwe mens een telegram
Dat was het einde van die zeeman, die straatjongen uit Rotterdam